nieuws
 aanmelden nieuwsbrief

Kinderarbeid in schijnwerper

De Europese Raad laat op aandringen van Maxime Verhagen, minister van Buitenlandse Zaken, onderzoek doen naar de mogelijkheden producten te weren die zijn vervaardigd met behulp van de ergste vormen van kinderarbeid. Dat komt niet zomaar: kinderarbeid staat de laatste tijd weer volop in de schijnwerpers.

Ook in eigen huis, in de Tweede Kamer, haalde afgelopen voorjaar unaniem een motie van de ChristenUnie de eindstreep, die de regering verzoekt geen steun te verlenen aan bedrijven die niet kunnen of willen ‘verklaren dat zij geen gebruik maken van kinderarbeid in hun toeleveringsketen’. De kritiek op dergelijke boycots — ook geuit in deze krant — spitst zich toe op twee verwijten: hypocrisie en ineffectiviteit. Beide behoeven echter nuancering.

Kinderarbeid wordt inmiddels wereldwijd veroordeeld. De internationale arbeidsnormen van de International Labour Organisation, waaronder de minimumleeftijd van 14, zijn door veruit de meeste ontwikkelingslanden geratificeerd. Van moreel imperialisme is hier dus geen sprake. Bovendien is de internationale economische situatie drastisch veranderd. Wereldwijd is de welvaart dermate gestegen dat geen mens meer honger zou hoeven lijden en geen kind meer zou hoeven werken.

Kinderarbeid is geen vereiste voor economische ontwikkeling, integendeel. Een werkend kind kan niet — of minder — naar school, terwijl juist scholing economisch het meest rendabel is: uit onderzoek blijkt dat een geschoold kind zich later zeven keer uitbetaalt.

Wél vereist zijn een redelijk loon voor ouders, zodat zij hun kinderen naar school kunnen sturen; ondersteuning bij kwaliteitsverbetering van het onderwijs; en eerlijke handelsverdragen, zodat boeren in ontwikkelingslanden toegang krijgen tot de Europese markt — de grootste ter wereld en op-één-na-grootste importeur.

De recente politieke initiatieven zijn een stap in de goede richting, maar er is nog veel te doen. Zo zou helder moeten zijn onder welke omstandigheden een product tot stand is gekomen, zodat de consument een bewuste keus kan maken. Dergelijke ketentransparantie is al vereist door Europese regelgeving met betrekking tot voedselveiligheid en genetische modificatie. Ook voor kinderarbeid is dit dus mogelijk.

Niet alleen bedrijven, maar ook overheden moeten hun verantwoordelijkheid nemen. Een land als Oezbekistan, dat kinderen inzet voor de katoenpluk, geniet tegelijkertijd handelsvoordelen bij de Europese Unie. Het staken van dergelijke handelsvoordelen door Nederland en de EU, of zelfs alleen het dreigen daarmee, is een krachtig signaal richting landen om zich te houden aan de meest fundamentele arbeidsnormen.

Een op zichzelf staande boycot is inderdaad niet afdoende. Op korte termijn zou dat leiden tot verlies van broodnodig inkomen. Kinderen zouden hun baan verliezen en een erger lot tegemoet zien. Daarom is een integrale aanpak vereist, zoals hierboven geschetst. Dan zijn eerdergenoemde handelsmaatregelen een goede stok achter de deur en een helder signaal dat het ons, als Nederland en Europa, serieus is met het bestrijden van kinderarbeid.

Philip Ebels is campagnemedewerker Fairfood en Joël Voordewind is Tweede Kamerlid voor de ChristenUnie